Nieuwkomer in een verwaarloosde organisatie: een persoonlijk verslag

Iedereen is druk: mensen haasten zich over de gangen en overal heerst bedrijvigheid. Als je iemand nodig hebt, is hij/zij er niet. Alles heeft urgentie en moet ook liefst gisteren nog klaar zijn.

Ik verdwaalde die eerste weken regelmatig: de kantoorindeling is chaotisch; het is zoeken wie waar zit, een logica in de huisvesting ontbreekt.

Het is onduidelijk wie wat doet: iedereen wordt met de voornaam aangesproken, ik moet later uitzoeken wat de functie is van betrokkene. Kennis is gebonden aan personen en niet aan functies; ik heb nog geen persoonlijk netwerk, dus ik weet niet bij wie ik moet zijn.

Ik merk een grote afstand tussen het personeel van mijn nieuwe afdeling en het personeel van andere afdelingen waarmee we toch één organisatie vormen: we werken allemaal voor dezelfde klanten. Ieder is op zijn eigen stukje gericht. De operationele managers, een belangrijke schakel in de dagelijkse gang van zaken, zijn onzichtbaar. Zij geven geen respons op mijn aanwezigheid, zij lijken mij niet op te merken. Hun kantoor zit verstopt op een plek uit het zicht.

Mijn agenda loopt gelijk vol: ik had mij voorgenomen om nog enige afstand te bewaren, om alle indrukken op mij in te laten werken. Het ‘vlieg op de muur’-zijn lukt mij niet: ik word overal in betrokken.

Mijn teammanagers worden geheel opgeslokt door hun eigen team en eigen besognes. Zij communiceren nauwelijks met elkaar. Tijdens het wekelijks overleg zitten zij vermoeid en passief bij elkaar. Ieder van de teammanagers doet zijn/haar werk op de eigen manier: in de stijl van werken overheerst het persoonlijke, het is allemaal weinig functioneel wat zij doen.

Mijn positie is niet vanzelfsprekend: het is net alsof de teammanagers gewend zijn het zonder een manager te doen… ik voelde mij behoorlijk eenzaam en betrapte mijzelf op de gedachte ‘Gelukkig is mijn collega-manager er vandaag, dan heb ik aanspraak.’

Het gedragsrepertoire van de teammanagers is heel beperkt, vooral van de oudgedienden.

Ik heb mijn verwondering vaak gesust: ‘Ik ben er maar pas, ik moet iedereen nog leren kennen.’

Mijn collega-managers gaan ervan uit dat ik dan wel nieuw in deze regio ben, maar dat ik al veel ervaring heb en dat ik mij daarom best wel kan redden. Als ik probeerde iets aan te kaarten waar ik tegenaan liep, was dit zo’n beetje de grondhouding.

Het viel mij ook op dat ik niet als vanzelfsprekend onderdeel van het managementteam (MT) werd: over onze inzet bij een groot evenement werd ik niet door de collega-managers geïnformeerd. Ik realiseerde mij dat mijn referentiekader een functioneel werkende organisatie is waar veel dingen vanzelfsprekend zijn en gaan… Hier lijkt niets vanzelfsprekend.[einde kader]

Het ontbrekende in het voorbeeld van manager Marjan is structuur in het werk, functionele verhoudingen en heldere prestatieverwachtingen. Als manager moet Marjan al haar aannames en vanzelfsprekendheden loslaten en zich weer over alles verwonderen. Het effect op Marjan was in eerste instantie dat zij zichzelf suste met de gedachte dat zij nog maar kort hier rondliep. In tweede instantie ging zij toch een beetje twijfelen aan zichzelf, vroeg zij zich af of zij hier wel tegen bestand was en zij voelde zich eigenlijk heel eenzaam, want haar collega’s in het MT leken dergelijke problemen helemaal niet te hebben.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

sluiten

sluiten