Pilot implementatie 'Signs of Safety' in vijf jeugdzorginstellingen

In het kader van het meerjarenprogramma van de Provincie Utrecht, de Utrechtse Jeugd Centraal (UJC), hebben de Utrechtse jeugdzorgaanbieders, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming besloten om ‘Signs of Safety’ (SoS) te implementeren.

Signs of Safety is een benadering die gericht wordt ingezet in gezinssituaties die onveilig zijn voor het kind en waar sprake is van (dreigende) mishandeling. De aanpak is niet alleen gericht op tekorten en problemen in gezinnen, maar ook op de sterke kanten en de hulpbronnen die er in de gezinnen aanwezig zijn (Turnell & Edwards, 2009) en sluit daarbij aan op de oplossingsgerichte manier van werken die in de jeugdzorg al wordt gehanteerd.

 Voor de invoering is gekozen voor een pilot van vijf instellingen. Na een succesvolle experimenteerperiode zou de kennis en ervaring uitgebreid kunnen worden naar de overige Utrechtse jeugdzorginstellingen. De experimenteerperiode had een looptijd van  10 maanden.


Aanpak

De  implementatie impliceerde twee activiteiten:

1. Het inbedden van de aanpak SoS in de werkprocessen de ketensamenwerking van de instellingen.

2. Het trainen van de hulpverleners van de aan de pilot deelnemende instellingen in SoS.

De SoS training werd verzorgd door Bureau Roos en Timm. Van de Bunt heeft de voortgang van beide activiteiten in de vorm van een projectorganisatie voor haar rekening genomen.

Het proces van borging van de aanpak, het verloop ervan en de resultaten werden uitgewisseld in de project-en stuurgroep.  Zowel managers als hulpverleners van de vijf instellingen werden hierin actief betrokken. 

In de SoS pilot zijn de voordelen (baten) van het werken met SoS vooraf benoemd; ervaringen elders en de literatuur geven aanwijzingen dat de veiligheid van gezinnen hiermee vooruit gaat en dat de medewerkers meer ‘tools’ in handen krijgen om die veiligheid te bewerkstelligen.  Ook de kosten zijn in beeld gebracht. In een experimenteerfase zijn deze hoger dan in een volledig operationele fase. Immers, in een experimenteerfase moet rekening gehouden worden met tijdverlies wegens kennisontwikkeling.  De echte kostenbesparing laat zich pas op de lange duur zien: door het gebruik van SoS verwacht men dat minder kinderen op een dure residentiële plek (uithuisplaatsing) terecht komen en vaker ambulant behandeld kunnen worden. Het was nog te vroeg om dit te kunnen aantonen.


Resultaten

De belofte van SoS lijkt echter te worden waargemaakt:  

In de loop van de implementatie werden de voordelen van SoS voor de professionals concreet merkbaar. Ze zeggen nu beter toegerust te zijn om onveiligheid in gezinnen te signaleren en die te verbeteren. Ook de samenwerking met gezinnen op dit punt is vergroot, er wordt meer gebruik gemaakt van de kracht van de ouders en het netwerk eromheen. De transparante werkwijze maakt het beter mogelijk om partnerschap met de ouders aan te gaan. Het aantal gezinnen dat op jaarbasis profijt zou kunnen hebben van SoS, is nog niet goed in te schatten. Men verwacht dat het aantal vele malen hoger is dan de gezinnen die in de experimenteerfase met de nu nog beperkte omvang aan getrainde SoS medewerkers geholpen konden worden.

De ketensamenwerking op dit punt is gegroeid, men heeft elkaar beter leren kennen, elkaars sterke en zwakke kanten onderkend. Zo is de afstemming in taak en verantwoordelijkheid tussen de gezinsvoogden van bureau Jeugdzorg en de hulpverleners van de jeugdzorgaanbieders veel helderder geworden. Deze moet nu verder geïmplementeerd worden en ook geborgd worden door het management.

De interne en externe verantwoording van deze aanpak zal verder moeten worden uitgebouwd door middel van de bestaande registratiesystemen en prestatie-indicatoren, met een aanvulling op het meten van effecten op het gebied van veiligheid.

Er  is ervaring opgedaan met een aantal kansrijke varianten voor invlechting van SoS in bestaande methodieken, namelijk:

• SoS als een hulpverleningsaanbod/module/zorgprogramma;

• SoS als ketenbrede benadering waarbij SoS wordt geïntegreerd in bestaande werkwijzen en BJZ als hefboom functioneert voor de veiligheid;

• Het gebruik van losse elementen van SoS in bestaande methodieken;

Deze drie varianten verdienen het alledrie  verdere implementatie.  Ze dienen te worden meegenomen in de methodenevaluatie van het NJI.

Els Borgesius en Marjanne van der Helm, adviseurs van Van de Bunt, hebben het procesmanagement van deze implementatie op zich genomen. Gezien het succes van de pilot, heeft de provincie Utrecht besloten nu ook de implementatie in de overige instellingen voor jeugdzorg in de provincie te financieren.

For more information you can contact:

sluiten

sluiten